Droom

Ze is niet doodgegaan. Ze slaapt. Ze wordt morgen weer wakker. Ik droom te vaak dat ik haar niet wakker krijg, voor de wekker, tijdens de wekker, na de wekker.

 

Ze is zes en alle andere kinderen zijn onsterfelijk. Hun ouders wensen hun kroost achter het behang, in een streng tehuis in de Alpen, even uit hun gezichtsveld. Van een kind dat je zo dicht bij de dood hebt gezien durf je het niet te denken, durf ik het niet te denken.

“Laat je leven niet regeren door de tumor”, zeiden ze. “Ga zo snel mogelijk weer terug naar normaal”, zeiden ze. We schurken en schuren langs het normaal. Als je ons vraagt hoe het met ons gaat en we geven eerlijk antwoord zeg je: “maar het gaat toch goed met haar?” Maar dat vroeg je niet. De millimeters tussen dit zoekende leven en dat normale leven zijn te klein om te duiden maar te groot om te overbruggen.

Het begint op het zeuren van oude dametjes te lijken: over de kosten van medicijnen, de pijn in de botten. En geen mens weet hoe dit heeft kunnen gebeuren — een jaar geleden waren we zo dapper.

1 reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.